Home » Organisatie » PDV Feedback 22 » Praktijk kan uit de voeten met welzijnsvoer
Praktijk kan uit de voeten met welzijnsvoer

Problemen met welzijnsvoer bij zeugen zijn vrijwel uit de wereld. Acht jaar nadat welzijnsvoer verplicht werd gesteld, redt de praktijk zich er mee. Het overgrote deel van de voerafzet voor dragende zeugen bestaat nu uit het specifieke voer met hoge gehalten aan overige organische stoffen.

Sinds 1998 schrijft de wet (in het Varkensbesluit) voor dat zeugen zonder biggen ‘enig ruwvoer’ verstrekt moeten krijgen. Dit kan door stro te voeren, zeugen te huisvesten op stro of door vezelrijk mengvoer te geven. Dit mengvoer moet per kilogram minimaal 340 gram zogeheten overige organische stoffen bevatten.

De verplichting gaf bij veel zeugenhouders problemen. Het bleek lastig om aan het eind van de dracht van het drachtvoer om te schakelen naar kraamstalvoer (in vaktermen: ‘lacto’). Daarnaast trad (meer) stress op bij zeugen. Deze dieren worden beperkt gevoerd - bij onbeperkt voeren worden ze te vet en dat leidt tot vruchtbaarheidsproblemen - waardoor ze een hongergevoel kunnen houden. Hierdoor treedt stress op en gaan de zeugen afwijkend gedrag vertonen (zoals stangbijten en looskauwen).

Met veel onderzoek wisten de mengvoederbedrijven de afgelopen jaren de problemen met welzijnsvoer te tackelen. Ook onderzoek van de Animal Science Group, in opdracht van het PDV, leverde een bijdrage aan het voorkómen van het hongergevoel bij de zeugen. Dit lukt als het voer voldoende fermenteerbare vezels bevat. Bacteriën zetten die vezels in de dikke darm om in opneembare voedingsstoffen. De zeug houdt zo langer een verzadigd gevoel en dat voorkomt stress.

Grondstoffen als tarwegries, zonnebloemzaad, sojaschillen en bietenpulp leveren de benodigde fermenteerbare vezels. “De verplichting van het welzijnsvoer kost geld en beperkt ons in de keuzemogelijkheden voor voerbestanddelen. Sowieso veert de samenstelling van het voer enigszins mee met het aanbod en de prijzen van de grondstoffen”, zegt Albert Schoterman, nutritionist bij voerfabrikant Agrifirm.

Het feit dat het over het algemeen goed gaat met welzijnsvoer betekent volgens Schoterman niet dat het onderzoek nu stilstaat. “Er is steeds iets nieuws. Je hebt toch met levende dieren te maken, met het management van de veehouder en met wisselingen in het (stal)klimaat. Voor onze klanten, die goede resultaten willen halen, blijft de mengvoerindustrie bezig.”

Zijn collega bij Cehave Landbouwbelang, Jos Michels, onderschrijft dat sprake is van een continuproces. Michels: “Maar met welzijnsvoer is nu prima top te draaien!” De afzetcijfers bewijzen het succes van de mengvoerindustrie. Het overgrote deel van het drachtvoer bestaat uit welzijnsvoer. Bij Cehave-Landbouwbelang is het zelfs 90 procent. Dat betekent dat varkenshouders voor tien procent van de zeugen kiest voor huisvesten op of bijvoeren met stro.

Klik hier voor een PDV-bericht over welzijnsvoer (augustus 2005).

Klik hier voor de weergave van een PDV-bijeenkomst over dit onderwerp (oktober 2004).


» printbare versie
NL DE EN